CWM 2013

cwm2013Nadat de inkt van de vorige nieuwe Circulaire wapens en munitie (CWM  2012 II) amper was opgedroogd, ligt daar nu reeds de volgende voor,  namelijk de CWM 2013. Deze CWM treedt per 15 januari 2013 in werking.

Deze nieuwe CWM 2013 is ten opzichte van de voorgaande versie vooral  gewijzigd ten aanzien van het aanvraagproces bij de aanvraag en de  verlenging van een wapenverlof. Dat was ook al door de minister in zijn  brief van 26 september 2012 aangekondigd. Voorts zijn in deze CWM 20

13  vooral schoonheidsfouten c.q. omissies uit de vorige uitgave hersteld en gerepareerd. Klik hier voor de nieuwe versie CWM 2013.

KNSA Juridisch adviseur mr. P. Hoogeveen geeft hieronder een overzicht  van de belangrijkste wijzigingen en een toelichting daarop. Voor alle  duidelijkheid: mr. P. Hoogeveen richt zich daarbij uitsluitend op  datgene wat de schietsport aangaat en geeft alleen een weergave van en  geen waardeoordeel over de uiteindelijke wijzigingen in de CWM.

1. Inlichtingenformulier:
De minister heeft besloten het aanvraagproces voor zowel de aanvraag als de verlenging van een verlof uit te breiden. In de CWM is in artikel 1.4.4.1 onder het Algemeen deel (A) geregeld dat voor het aanvragen van een verlof en voor het verlengen daarvan een inlichtingenformulier moet worden ingevuld. Dit inlichtingenformulier bevat vragen die hun oorsprong vinden in de door de Minister van V&J in samenwerking met de Minister van VWS opgestelde risicofactoren die hij heeft vermeld in zijn brief van 26 september 2012 en die bovendien verderop in de CWM in artikel 1.2 van het Bijzonder deel (B) nader worden omschreven. In het genoemde artikel 1.4.4.1 wordt puntsgewijs omschreven op welke wijze de ambtenaar van politie de aanvraag en verlenging van een verlof in behandeling dient te nemen en de aanvraag moet beoordelen. Het inlichtingenformulier is als bijlage bij de CWM gevoegd. In het oog springend daarbij in de verplichte opgave van referenten. U bent verplicht bij de aanvraag en verlenging twee (2) referenten op te geven. Eén referent moet zijn een lid of een bestuurslid van uw schietsportvereniging en de ander een persoon uit uw familie of sociale omgeving. Indien de politie twijfels heeft over uw mentale stabiliteit of over de betrouwbaarheid met betrekking tot de ingevulde gegevens, kunnen zij met één of met beide referenten in contact treden. Voor wat betreft de bestuurder van de schietvereniging is dat niet nieuw; dat was al mogelijk vanwege de medeondertekening van het WM3-formulier. Een referent uit familie of sociale omgeving is wel nieuw.

2.  Psychische gesteldheid:
In het Bijzonder deel (B) wordt in artikel 1.2 het zogenaamde "vrees-voor-misbruik"-criterium omschreven. Dit artikel is niet nieuw en ook niet de daarin opgenomen paragraaf met betrekking tot de psychische gesteldheid. De ambtenaar Bijzondere Wetten of de ambtenaar Korpscheftaken kon, wanneer hij twijfelt aan de psychische gesteldheid van de betrokkene, de aanvrager van een verlof of de houder daarvan in uiterste instantie vragen om een schriftelijke verklaring van een arts of psychiater. Aan die paragraaf is nu toegevoegd een overzicht van risicofactoren betreffende die psychische gesteldheid, onderverdeeld in klinische factoren, stressvolle omstandigheden en specifieke kenmerken. Ik schreef al dat het inlichtingenformulier dat nieuw geïntroduceerd is, op deze factoren aansluit.

3. Aftekenen schietbeurten:
In sommige politiedistricten of -regio's ontstonden misverstanden omtrent degenen die bevoegd zijn schietbeurten af te tekenen. Tot voor kort stond in de Circulaire vermeld dat het aftekenen van schietbeurten moet geschieden door een bestuurslid van de vereniging of een namens het bestuur optredende baancommandant of organisator van de schietwedstrijd. Daarover ontstond de laatste tijd verwarring. Immers, meer en meer bestond de neiging, vooral onder invloed van onze opleidingen, om degene die let op de veiligheid op de schietbaan en tevens het bevel voert, te betitelen als Veiligheidsfunctionaris. Tot voor kort werd deze functionaris aangeduid als Baancommandant, een terminologie vooral afkomstig vanuit de Krijgsmacht. De term Baancommandant wordt echter in onze opleidingen gebezigd voor een wedstrijdtechnische functie; noem het maar een scheidsrechter. Op verzoek van de KNSA heeft daarom het Ministerie van V&J in de CWM onder artikel 2.4.2 behoudens het bestuurslid en een namens het bestuur optredende baancommandant, tevens toegevoegd een namens het bestuur optredende veiligheidsfunctionaris, als gemachtigden om schietbeurten af te tekenen. Gehandhaafd is tevens de mogelijkheid tot het aftekenen van een schietbeurt bij wedstrijden en daarom is ook nog steeds de organisator van de wedstrijd tot het aftekenen van een schietbeurt gemachtigd. Ik ga ervan uit dat de onduidelijkheid hiermee is weggenomen.

4. Schieten met vrijgestelde wapens:
In de Circulaire wapens en munitie van 1 januari 2012 was reeds geregeld dat sportschutters die de schietsport beoefenen met op grond van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie (RWM) vrijgestelde (antieke) wapens, deze wapens op een wapenverlof moeten doen (bij)schrijven. Voor die bijschrijving geldt een minder streng regime; zo tellen die wapens niet mee voor het maximum toegestane aantal wapens van vijf (5) op een verlof en behoeven er geen schietbeurten voor te worden geregistreerd. Naar analogie heeft nu de minister ook bepaald dat de restricties die gelden voor de eerste aanvraag van een verlof, namelijk dat het wapen geschikt moet zijn voor een Olympische discipline, niet van toepassing is op vrijgestelde wapens. In artikel 2.4.5 van het Bijzonder Deel (B) is dat nader uiteengezet.

5. Gebruik vuurwapens van medeschutters:
In de CWM 2012 (II) zijn door de minister aanvullende voorwaarden gesteld voor de aanvraag van een verlof en het gebruik van verenigingswapens al naar gelang de ervaring van sportschutters. Een differentiatie in wapentypes is daarvan het gevolg. Ik heb u daarover in een eerder bericht nader geïnformeerd en u daarin de drie fases uiteengezet die van toepassing zijn voor de aanvraag van een verlof en het gebruik van verenigingswapens binnen en buiten de schietsportvereniging. Wat opviel in die nieuwe maatregelen was dat de differentiatie van toepassing was op het gebruik van verenigingswapens maar dat niet expliciet daarover iets vermeld was voor het gebruik van privéwapens van medeschutters. Daarvoor zijn nu door de minister alsnog in de CWM 2013 onder artikel 2.4.6 (Bijzonder deel B) bepalingen opgenomen. Evenals voor wat betreft het gebruik van verenigingswapens is bepalend de tijdsduur dat sportschutters in het bezit zijn van een KNSA-licentie. Voor het gebruik van privéwapens van medeschutters is wederom een differentiatie van drie (3) fasen van toepassing. Deze differentiatie is als volgt:

Fase 1
Leden van schietsportverenigingen die korter dan een (1) jaar in het bezit zijn van een KNSA-licentie mogen alleen vuurwapens van medeschutters gebruiken, die geschikt zijn voor de beoefening van de Olympische disciplines.

Fase 2
Leden van schietsportverenigingen die korter dan twee (2) jaar in het bezit zijn van een KNSA-licentie mogen alleen vuurwapens van medeschutters gebruiken, die geschikt zijn voor de beoefening van de Olympische disciplines, de disciplines die in het verband van de ISSF worden beoefend en de disciplines die worden beoefend met historische wapens overeenkomstig de MLAIC-reglementen en zoals gereglementeerd door de KNSA. (Voor pistolen en revolvers geldt in dit geval een    maximumkaliber van 9 mm).

Fase 3
Voor leden van schietsportverenigingen die minimaal twee (2) jaar in het bezit zijn van een KNSA-licentie geldt dat zij alle vuurwapens van medeschutters mogen gebruiken, die zijn toegelaten in enige door de KNSA gereglementeerde of erkende discipline. Bij het gebruik van vuurwapens van medeschutters blijven de reeds eerder gedefinieerde voorwaarden van toepassing, namelijk dat het vuurwapen alsmede de daarbij behorende munitie, pas op de schietbaan aan de schutter mag worden afgegeven en dat de verlofhouder tijdens het schieten in de onmiddellijke nabijheid van de schutter blijft en dat de overgebleven patronen onmiddellijk na het schieten op het schietpunt weer aan de verlofhouder c.q. medeschutter worden teruggeven. U begrijpt dat voor het gebruik van verenigingswapens en het gebruik van wapens van medeschutters essentieel is de tijdsduur dat de betrokkene over een KNSA-licentie beschikt. De KNSA heeft inmiddels voorzien in de vermelding van de datum     eerste aanmelding op de KNSA-licentie; alle bij de KNSA aangesloten schutters zullen die datum op hun licentie op 2013 aantreffen.

6.  Deugdelijke bergplaats:
In artikel 8.1 wordt geregeld de wijze waarop vuurwapens moeten worden opgeborgen. In datartikel wordt ook vermeld dat de wapenkast of wapenkluis in de vloer of de muur moet worden verankerd, tenzij de kluis van een dusdanig gewicht is dat het zo goed als uitgesloten is dat de kluis bij een inbraak kan worden meegenomen. De term "een dusdanig gewicht" is arbitrair en de afgelopen tijd is gebleken dat die bepaling voor discussie vatbaar is. Overeenkomstig het verzoek van de KNSA, is daaraan nu toegevoegd dat in dat geval de kluis minimaal 200 kilogram moet wegen. Uiteraard zal de verlofhouder dat zelf met een document van de fabrikant moeten aantonen.

7.  Opbergen wapens op één adres:
In artikel 8.4 van de circulaire was al geregeld het gemeenschappelijk gebruik van wapens door een zogenaamde A- en B-verlofhouder. De KNSA heeft erop aangedrongen om in de circulaire een bepaling op te nemen dat verlofhouders-A en -B, beiden woonachtig op hetzelfde adres en beiden bevoegd tot het voorhanden hebben van alle wapens binnen eenzelfde huishouden, deze vuurwapens in dezelfde kluis mogen bewaren. Daarmee wordt de noodzaak voorkomen voor de aanschaf van meerdere kluizen op hetzelfde adres. Voorwaarde is datalle aanwezige wapens op zowel het A- als het B-verlof moeten zijn vermeld. Dat roept wel de vraag op hoe dat geregeld moet worden als de B-verlofhouder nog in zijn eerste verlofjaar is en dus maar één vuurwapen heeft. In geval de A-verlofhouder meerdere wapens heeft, zal de B-verlofhouder geen zelfstandige toegang tot de kluis/kast mogen hebben. 

BRON: KNSA nieuwsbrief

SWHR

LogoSWHR


Een goed initiatief: Samenwerking Wedstrijdorganisatie Haagse Regio.
Zie Vrienden van de Schietsport.

Twitter

Volg ons
RSS